maandelijks archief: december 2007
Kadootje
Een dag als vandaag is een kadootje. Mooie blauwe lucht, besneeuwde natuur, wat wil een mens nog meer (hmm, ik weet het wel, zwart ijs, schaatstochten, MET strakblauwe lucht).
Om 9 uur was het zo ontzettend mooi in het Haarlemmermeerse Bos, alleen … geen camera mee.
Dus na de sportieve wandeling thuis wat spullen verzameld, en alsnog, op het fietsje, in
het bos (en rondom Vijfhuizen) foto’s gemaakt:
Dagboek van een Poes
Aanrader!!! Als je poezen leuk vindt, en stiekem denkt dat ze kunnen praten etc., dan moet je dit boekje zeker lezen.
De wereld door de ogen van poes Poef
MAARTEN MOLL
En nu ligt Dagboek van een poes in de winkel. Een zelfs voor Remco Campert dun boek. Ruim zestig pagina’s telt het werk, waarin de wereld bezien wordt door de ogen van poes Poef.
De poes is nu de tegenaanval begonnen. Poes Poef moet in Camperts Dagboek van een poes overigens niets hebben van de hond. Honden zijn beesten om bang van te worden. De mensen worden tweebenigen genoemd, en haar baas en bazin krijgen de namen Bril en Rok.
Geen mooie namen, maar Poef vindt dat hij met de naam Poef ook niet heeft geboft. ‘Poef. Een naam als een spraakgebrek.’
In de binnentuin van het woonblok waar zij met Bril en Rok een huis bewoont, lopen poezen met namen die er wezen mogen: Thelonious, Malaparte, T.S. Eliot, Adinda, Cleopatra, Madonna, Comtesse de Noailles, Napoleon, Multatuli.
‘Overigens luidt de roepnaam van Napoleon Nappie en die van Comtesse de Noailles Kont. Dat houdt ook niet over. Maar Poef kan echt niet.’
Er gebeurt in de wereld van Poef eigenlijk niet zoveel. Ze deelt eens een tik uit, gooit een vaas om. Vangt een muis, kletst met andere poezen. Ze heeft een hekel aan het Dreigend Ding (stofzuiger) en verwondert zich over de DW (draagbare woning). Typisch woordgebruik van Campert.
Maar wat dit boekje echt aardig maakt is het fijne schrijven van Campert. Het commentaar van Poef, naar eigen zeggen filosofisch aangelegd, heeft een mooie cadans. Camperts taalgebruik is vrij kaal en dan valt het niet zo op hoe goed hij schrijft. Ook al betreft het hier een, zo lijkt het op het eerste gezicht, wat kinderachtig aandoend boekje.
Schijn! Poef is een waardig dier. Ze laat de malle capriolen van Bril en Rok gelaten aan zich voorbijgaan, want de tweebenigen ‘tonen soms weinig begrip voor wat er in een poes omgaat’.
Ze is ook een feilloos en genadeloos observator van het menselijk falen. Geregeld wordt Bril te kijk gezet. Poef gaat uit medelijden in op het gefluit van Bril, een poging de kat naar binnen te lokken.
‘Ik verwaardigde me tevoorschijn te komen en ging zelfs zover een aanhankelijk kopje te geven tegen zijn broekspijp.
Hij glom van trots en blijdschap.
‘Zie je wel,’ zei hij tegen Rok.
Sukkel.’
Een mooie rol in het dagboek, ten slotte, speelt Rode Harry, de Terreur van de Tuinen. De kater heeft voor Poef, en de lezer, aan het eind nog een verrassing in petto.
xa9 Het Parool, 18-08-2007







